HET OORKONDENBOEK NOORD-BRABANT-II
EN DE GEBRUIKER

dr. K.A.H.W. Leenders

In dit artikel wordt het Oorkondenboek Noord-Brabant II, de landen van Breda en Bergen op Zoom (kortweg ONB-II), bezien vanuit het standpunt van de gebruiker.

Twintig jaar wachten: dan maar een eigen oorkondendocumentatie

Dik twintig jaar hebben de landen van Breda en Bergen op Zoom gewacht op "hun" oorkondenboek. Dik twintig jaar waarin het onderzoek naar de middeleeuwse geschiedenis zich moest behelpen met een wirwar van recente tot soms bar oude, betrouwbare tot uiterst verdachte uitgaven van oorkonden in reeksen die geen van alle enige compleetheid pretendeerden. Willem van Ham en ondergetekende hoorden tot de onderzoekers die in die jaren hierdoor behoorlijk gehinderd werden. Vaak zijn we achter een zogenaamde oorkonde aangegaan die ergens in een voetnoot of tekst opdook, om aan het eind van de zoektocht te ontdekken dat een dateringsfout ons op het verkeerde been zette. Nieuwmoer in 1405 bleek 1505 te zijn: "vive" was als "vire" gelezen! Dat is nog maar een onschuldig leesfoutje, maar het scheelt wel een hele eeuw! Er zat niets anders op om zelf een gedegen overzicht van de voor ons werk belangrijke oorkonden op te stellen en bovendien daarvan de teksten in fotokopievorm te verzamelen. In wezen maakten we ons eigen oorkondenboek, zonder overigens aan diepgaande bron-analyse toe te komen. Het voornaamste was dat wij, onderzoekers die niet aan een goed geoutilleerd historisch instituut werkten, de broodnodige informatie toch naast ons op de plank hadden staan.

Samenwerking met het ONB

Ergens in die dik twintig jaar hebben we een goed contact met de makers van het ONB-II gelegd. Er kwam een afspraak tot stand om elkaar te helpen. Zo kregen we van de nieuw bewerkte documenten de concepten toegestuurd. In ruil leverden we daarop dan weer commentaar, met name over de interpretatie van plaatsen en handelingen. Er is in het landschap van de landen van Breda en Bergen op Zoom in de laatste 700 jaar heel veel veranderd. Denk maar aan het weggraven van veengebieden en het bedekt raken met klei. Dat maakt de interpretatie van die oude documenten erg moeilijk voor iemand die de streek en de landschappelijke veranderingen niet kent. Wim en ik hopen dat onze inspanning de kwaliteit van het ONB-II ten goede zal zijn gekomen.

Toch is alles niet foutloos. Zo realiseerde ik me pas afgelopen zomer bij de bestudering van de middeleeuwse zoutwinning, dat de belasting genaamd "kuipgeld" niet van het eindproduct zout geheven werd, maar van het halfproduct "zel". Zel is de as van verbrande zouthoudende turf. Bij gevolg moet het regest van ONB 1412 verbeterd worden: het tarief was 8 penningen per kuip zel. (1)

Onze assistentie herhaalde zich nog een keer bij het maken van de index op het ONB-II. Ook hiervan is het concept aan ons voorgelegd en door ons van erg uitvoerig commentaar voorzien. Stel u voor: blijkbaar zette men in deze streek graag kalveren te grazen op donken. Zo zijn er in de streek een aantal Kalfsdonken (waarvan er één in het ONB genoemd wordt) en nog een donk die er op lijkt: Kelsdonk. In de concept-index was dat allemaal één en dezelfde donk geworden. We hebben aangegeven hoe die donk in tweeën gehakt moest worden en zo is dat in de index uiteindelijk toch weer goed gekomen.

ONB al gebruikt lang voor het verschijnen

Dik twintig jaar is er gewacht op het ONB-II. Veel te lang voor onze jachtige tijd. Het gaat niet aan om als excuus aan te voeren "ach meneer, die stukken zijn 700 jaar oud, want maken die drie maanden nou uit?" zoals een medewerker van het Haagse Algemeen Rijksarchief me ooit toevoegde toen ik klaagde dat bestelde foto's nog steeds niet klaar waren. Neen, ook in het historisch bedrijf willen we tegenwoordig wel eens opschieten!

Daar kreeg ik mee te maken bij de voorbereiding van mijn proefschrift, dat de periode 400 - 1350 beslaat en dus veel baat zou hebben gehad bij een gereed ONB-II. Dank zij de genoemde gegevensuitwisseling met de samenstellers van het oorkondenboek viel de schade uiteindelijk wel mee. In zekere zin kan zelfs beweerd worden dat het ONB-II al gebruikt werd voordat het in druk verscheen.

Toch moet ik bij het verschijnen van het Oorkondenboek vaststellen dat van enkele belangrijke momenten uit de streekgeschiedenis de datering nu een of twee jaar verschoven is. Jammer! In mijn proefschrift verwijs ik nog naar de toen jongste uitgaven van de oorkonden en bij niet uitgegeven teksten naar hun bewaarplaats. Ook al die verwijzingen zijn nu verouderd geraakt. Voor de liefhebber heb ik echter een concordans neergezet op mijn Internetsite. (2)

Nieuwe tijden breken ook hier aan! Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) zet de laatste jaren documenten op het web die nog niet helemaal klaar zijn. Op hun website staan items als het Biografisch Woordenboek van Nederland deel 5 etc. (3) Een voordeel voor het ING van deze werkwijze is dat gebruikers, soms ook tevens deskundigen, hun op- en aanmerkingen via het web op kunnen sturen. Je krijgt zo een heel ander soort publicatie die niet meer gemaakt wordt door alleen de "bezorger", maar door een trekker en volgers die met elkaar interacteren via het web. Een dergelijke werkwijze is ook denkbaar voor het onderhoud van ONB I en II (ik denk dan aan aanvullingen en correcties) en de uitbreiding van het ONB over de rest van de huidige provincie. Later vandaag wordt daar nog nader op ingegaan.

ONB als bestand

Het ONB-II is er nu. De oorkonden zijn netjes gedrukt en voorzien van commentaar. Ze zijn bovendien toegankelijk via een behoorlijke index. Het is een klassiek oorkondenboek geworden, in twee dikke banden op klassiek papier.

Toch gebruik ik vaak het ONB-II-bestand dat ik ontving toen de concept-index nagekeken moest worden. Waarom? Dan kan ik zo gemakkelijk op rare onderwerpen zoeken! Onlangs dook weer de vraag op naar "vroege schapen" en dat in het kader van Theuws' schapenthese. Het volstaat dan om met de zoekfunctie van de tekstverwerker te zoeken op termen als "schaap", "schapen", "lammer", "angno", "ovi" etc. om waterdicht alle teksten te lokaliseren waarin die wollige beesten aan de orde komen. Daar kan geen voorgebakken index tegenop. Dezelfde zoekmethode gebruikte ik om het zo juist genoemde probleem van de "cupe zels" uit te zoeken. (4) Ik pleit er daarom voor dat de teksten ook als bestand beschikbaar gesteld worden. Het bestand is nog geen 4 MB groot. Drie ouderwetse schijfjes volstaan en bij stevig inpakken zelfs maar twee.

Breda 750 jaar: een consumententest

In het jaar 2002 hoopt Breda het 750-jarig bestaan als stad te vieren. De voorbereidingen zijn al gestart en een stad met een beetje karakter maakt daar een heel festijn van.

Maar wat was er 750 jaar geleden nu eigenlijk precies aan de hand? Het ONB-II zou ons moeten kunnen helpen. Omdat het ONB geen Bredaas oorkondenboek is, maar een regionaal, zou het zelfs goed kunnen dat die ruimere blik plots andere - min of meer gelijktijdige - gebeurtenissen in beeld brengt, die het Bredase feestje in een nieuw licht kunnen zetten. We gaan, als goede ONB-consument, eens kijken of dat zo is.

ONB 1021 vat de gebeurtenis van 23 juni 1252 als volgt samen:

Hendrik IV, heer van Breda, stelt de burgers van Breda vrij van elke heffing, behoudens bij bepaalde gevallen, verplicht hen tot landweer en staat hun toe voor vonnissen hoofdlering te halen te Antwerpen.

Waar dit regest "burgers" schrijft, spreekt het latijn van de oorkonde van opidanis, dus: bewoners van een oppidum, wat dat dan ook moge wezen.

Breda was waarschijnlijk al in 1212 een oppidum. In dat jaar zijn uit ieder van de 12 dorpen van de heer van Breda twintig getuigen gekomen voor de ceremonie rond een overeenkomst die tussen hun heer en de hertog van Brabant gesloten werd over onder andere de tollen op de Schelde en de Striene. (5) Tevens werden toen minstens twee oppida libera van de heer van Breda vermeld. Welke waren nu die 12 (6) of 14 plaatsen? Hier is al heel wat over gepuzzeld. (7) Voor de hand ligt in ieder geval om Breda en Bergen op Zoom als de oppida libera te zien. In 1252 waren de inwoners van Breda dus al minstens 40 jaar opidanis!

Wat was er in 1252 dan wél aan de hand als het geen stadsstichting was?

Na de dood in 1246 van Godfried IV van Breda en Schoten (heer van 1235 - 1246), van wie erg weinig oorkonden en daden bekend zijn buiten zijn testament (in ONB-II + opvolging + testament), trad de energieke Luikse kanunnik Hendrik IV van Breda aan als heer. Die kreeg allereerst te maken met de uitvoering van het testament van Godfried IV.

Het ONB doet ten aanzien van het testament van Godfried IV een duidelijke uitspraak: het heeft wel een wat ongebruikelijke vormgeving en redactie, maar het is geen vervalsing zoals Boeren beweerde. Zo'n uitspraak is de meerwaarde van een oorkondenboek: diplomatici doen uitspraken over de kwaliteit van het door hen uitgegeven bronnenmateriaal. Het optekenen achteraf van een laatste wil, zoals in dit geval, was voor de vroege periode van de testamenten niet bijzonder. In 's-Hertogenbosch werden nog in de veertiende eeuw enkele malen testamenten vastgelegd door getuigen die de notaris kwamen vertellen wat de overledene hen had gezegd.

Hendrik IV kwam al snel in ernstige problemen omdat hij een groot bedrag (1000 pond), dat veronderpand was op zijn drie dorpen Ekeren, Schoten en Merksem, niet uitkeerde aan Arnold van Diest, zoals het testament van Godfried IV voorschreef. De paus verlangde daarom in 1249 dat de executoren van dat testament Arnold in het bezit van de drie dorpen zouden stellen. (8)

Op 28 juni 1251 verklaarde Hendrik IV, heer van Breda, aan de hertog 900 £lov schuldig te zijn omdat hij van zijn vader, zijn broer en zijn neef goederen verkregen had. (9) Door die betaling zou hij in het bezit geraken van de hem toegevallen erfenis. Dit is ons inziens de oplossing van het in 1249 gebleken probleem van de niet-betaling van de 1000 £lov. De hertog lijkt als bemiddelaar en geldschieter tussenbeide gekomen te zijn. Arnold van Diest was kennelijk inmiddels inderdaad gegoed in de onderpanden, want Hendrik IV zien we in die dagen in Schoten niet optreden. Dat beslag zal na de schuldbekentenis aan de hertog wel zijn opgeheven. Arnold kreeg zijn ponden, de hertog moest ze nu terug zien te krijgen van Hendrik van Breda.

Daarvoor werden drie betalingstermijnen van 300 £ ieder afgesproken, Deze termijnen liepen af op 24 juni 1251; 1252 en 1253. De eerste termijn was dus al verstreken: dat geld moest kennelijk eerst betaald worden voordat deze brief bezegeld werd! Veel vertrouwen had de hertog zo te zien toch niet in de goede afloop van de getroffen regeling.

Er waren voor de heer van Breda nog meer problemen om op te lossen. In Bergen op Zoom was er een al lang lopend conflict met de abdis van Nijvel waar we het nu niet over zullen hebben, maar dat ook in deze periode opgelost werd. In Schoten zeurde al decennia lang een geschil met de abt van Villers, die meende minstens het halve zo niet het hele dorp te kunnen opeisen.

Het is van belang dat het ONB ons nu de gebeurtenissen na het accoord van 28 juni 1251 haast van dag tot dag laat volgen:

Een week na die overeenkomst tussen Breda en de hertog, op 5 juli 1251, rondden de heer van Breda en de abt van Villers de verdeling van Schoten af, die door twee landmeterteams was voorgesteld. (10) Blijkbaar had de heer van Breda nu dus weer greep op Schoten. De principeafspraken voor deze verdeling waren al in 1248 gemaakt (11), maar pas op 22 juni 1251, vermoedelijk toen het accoord over de 1000 £ reeds rond was, werd hieraan een vervolg gegeven. (12) Dit bevestigt dat de heer van Breda inderdaad enige tijd in Schoten niet handelend kon optreden als gevolg van de pauselijke opdracht van 1249.

Op 7 juli 1251, twee dagen na het accoord tussen Breda en Villers, droeg de heer van Breda zijn landmeters op zijn gronden uit te geven, in te meten en te boek te stellen, zodat ze cijns zouden gaan opbrengen. (13) Deze opdracht past dus heel duidelijk in de perikelen te Schoten, Merksem en Ekeren, maar ze heeft door de erg algemene formulering (omnia novalia in terra mea, ubi eis videbitur expedire en per totam terram meam) nadrukkelijk betrekking op alle gronden van de heer van Breda. Het ONB zegt in het regest: in het land van Breda. Het ware misschien beter geweest om te stellen: in alle landen van de heer Breda, omdat Schoten, Merksem en Ekeren nooit onderdeel van het hertogelijk leen "Land van Breda" geweest zijn.

Twaalf dagen later blijkt bij de verpanding en verkoop van tiendrechten voor het eerst dat de heer van Breda delen van Ekeren in leen hield van de heer van Mechelen en van de hertog. (14) Deze transacties brachten tezamen 700 £ op.

Daags voor de vervaldatum in 1252 gaf de heer van Breda het hier boven aangehaalde privilege aan zijn oppidani van Breda. (15) Dit document zal voor de heer wel wat geld opgeleverd hebben, dat hij de volgende dag goed kon gebruiken bij de aflossing van zijn tweede termijn.

Uit het voorgaande kan het volgende geconcludeerd worden. Godfried van Breda heeft - veronderpand op de drie dorpen Ekeren, Merksem en Schoten - een eenmalige uitkering van 1000 £ vermaakt aan Arnold van Diest. Hendrik IV volgde hem op, ook in die drie dorpen, en begon in Schoten zaken met Villers te regelen. Van Diest werd echter ongeduldig omdat hem de 1000 £ niet betaald werden. Het resultaat was dat de heer van Breda op pauselijk gezag Ekeren, Schoten en Merksem kwijt raakte. Hierop volgde een (niet gedocumenteerde) regeling die onder meer neerkwam op het betalen van drie jaarlijkse termijnen van 300 £lovens. De betaling van de tweede termijn, die van 1252, werd mede bekostigd doordat de opidani van Breda daags ervoor van hun heer enkele rechten kochten.

Ten onrechte wordt dit vaak beschouwd als het verlenen van stadsrechten. Breda was in 1212 al een oppidum en het moet al vóór 1252 een eigen rechtskring geweest zijn. (16) Het gaat in 1252 alleen om enkele privileges waarvoor - iets wat vaker voorkwam - eerst betaald was of schulden van de heer waren kwijtgescholden. Kennelijk kon de gemeenschap Breda in 1252 haar heer reeds een flink bedrag betalen.

Ik zeg hier niets nieuws. Cerutti meldde het al in 1952. Bonenfant wees er reeds op, Van Uytven en Van Ham namen zijn visie over, en ik wees er nog eens op in mijn proefschrift, dat de heer van Breda in 1212 naast zijn twaalf dorpen melding maakt van zijn opida libera, waarmee Breda en Bergen op Zoom bedoeld moeten zijn. (17) Het herdenken in 2002 is dus gebaseerd op drijfzand en het zou beter zijn om al vast te gaan werken aan een waardig 800-jaar feestje in 2012!

De wereld van Sofie

Door de organisatoren van deze dag is me gevraagd om een thema aan te reiken voor een onderzoek waarbij het ONB een belangrijke rol zou kunnen spelen. Welnu, er is een intrigerende kwestie waaraan ik in zowel mijn Verdwenen Venen als in mijn Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde" wat vluchtig voorbij ben gegaan, maar die toch heel interessant kan zijn. Het gaat om de "armste" begijnhofbewoonster van Mechelen, Sofia Berthout.

Na een verlovingstijd van drie jaar, huwde op in 1266 de nog jonge Sofia Berthout met de 16-jarige heer Hendrik V van Breda. De jonge echtgenoot stierf al in de winter van 1268/1269. (18) De jonge kinderloze weduwe, die zich in Mechelen op het begijnhof vestigde, maakte vervolgens aanspraak op een fors jaarlijks weduwengeld, dat de helft van de Bredase inkomsten zou moeten bedragen. (19) Doordat zij pas op 25 februari 1299 overleed, bleef deze jaarlijkse uitkering dertig jaar lang op de heerlijkheid Breda en zelfs op de in 1287 gevormde heerlijkheid Bergen op Zoom drukken.

De betaling ging niet altijd van een leien dakje. Medio 1277 leidden de problemen tot dagen waarop meer dan 5 oorkonden van financiële aard bezegeld werden. Andere crisissen leidden tot tijdelijke verpandingen van minstens delen van de heerlijkheid Breda. De financiële last die Sofia voor het gehele land van Breda betekende, was in mijn ogen bovendien een van de factoren die leidden tot het in snel tempo ter ontginning uitgeven voor agrarische of turfwinningsdoelen van grote delen van dat land van Breda. In Verdwenen Venen (blz. 143) en in mijn proefschrift (blz. 341) stel ik dat "de door Berthout bij de heren van Breda gegenereerde geldbehoefte mede de motor is geweest achter de vele uitgiften voor agrarische ontginning of moernering." Met name de turfgraverij leidde ertoe dat grote delen van het Land van Breda tot 1300 het karakter hadden van een Vlaamse veenkolonie.

Kort nadat Sofia overleden was, werden Oosterhout en Roosendaal opnieuw als weduweninkomsten aangewezen, nu voor Hadewig van Strijen, echtgenote van Raas II van Gavere. Het lijkt of die twee plaatsen juist "vrijgekomen" waren uit Sofia's greep en haast onmiddellijk ten prooi vielen aan de volgende aanstaande weduwe. (20)

De "periode Sofia" lijkt dus een belangrijk tijdvak in de ontwikkeling van het land van Breda geweest te zijn. Lijkt, want alhoewel we tal van bedragen in oorkonden zien die "groot" lijken en ook de verkochte en verpande goederen en rechten soms bepaald omvangrijk waren, is nog nooit geprobeerd de juiste economische importantie van het een en ander op systematische wijze in te schatten. Ook ik ben er in mijn twee genoemde boeken vluchtig overheen gegaan.

Waarom werd er niet dieper op deze materie ingegaan? Allereerst is er de vraag naar de waarde van die geldbedragen: was 1000 Leuvense ponden in de jaren 1270 - 1300 nu echt heel veel geld voor een heer van Breda, Ekeren en Schoten?

De waarde van het geld in de late dertiende eeuw blijft echter moeilijk invoelbaar en het bruto-landsproduct van het Land van Breda is volstrekt onbekend. Dat probleem is nog onveranderd. Duidelijk is wel dat het onttrekken van de helft van de heerlijke inkomsten een forse aanslag op het budget van de heren betekend moet hebben.

Wel veranderd is het probleem van de bereikbaarheid van de documenten die tot voor kort uit een groot aantal min of meer verouderde publicaties en deels zelfs de archieven bijeen gesprokkeld moesten worden. In het ONB zijn ze nu grotendeels compleet netjes gedrukt en systematisch gedateerd voor onderzoek beschikbaar. Gelukkigerwijs zijn ook heel wat (maar niet alle!) oorkonden over Ekeren en Schoten opgenomen, want zonder die dorpen erbij te betrekken, kan het plaatje nooit compleet worden. Verwarrende dateringsverschillen zijn nu teruggebracht tot één discussie: Paasstijl-of-niet.

Het moet nu mogelijk zijn om de geldstromen rond Sofia in kaart te brengen. Waar haalde de abdij van St.-Bernaards, een van de grootste opkopers van Bredase rechten, het geld vandaan dat aan de heer van Breda betaald werd bij de verwerving van die goederen en rechten? Hoe snel sluisde de heer van Breda dat geld door naar Sofie? Ik krijg de indruk dat het moderne bankwezen trager werkt dan de geldstroom Breda-Mechelen in 1277. Wat deed Sofie met al dat geld? Ze schonk een keer een woning aan behoeftige begijnen (22), maar waar bleef de rest? Verdween dat naar de familie Berthout en hoe ging het dan verder? Zij maakte een testament waarvan we de inhoud maar heel gedeeltelijk kennen. (23)

Wat zijn de achtergronden van de grote crisis van 1277 en die van de andere crisissen in de betalingsrelatie Breda-Sofie? Wat ging er mis? Waren er grote uitgiften ter ontginning misgelopen of waren er andere factoren in het spel? Passen de verpandingen (1273-1274, 1276, 1285) bij die crisissen? Die verpandingen zouden heel goed op financiële problemen kunnen wijzen.

Misschien komen de problemen juist wel voort uit de toename van de waarde van het Land door al die uitgiften aan abten, boeren en turfondernemers. Een eerder als equivalent van "1/2" vastgesteld aantal ponden wordt dan door de oplettende Sofia niet meer geaccepteerd: het moet meer worden. Dan begint het gedonder natuurlijk weer opnieuw.

In 1281 krijgt Arnoud van Leuven van de hertog de heerlijkheid Breda voor de duur van zijn leven in vruchtgebruik. (24) Daarbij wordt hij wel flink kort gehouden: uitgiften van woeste grond die de 15 hectare te boven gaan behoeven toelating van de hertog of zijn schout. (25) Beschermt de hertog hier het erfgoed van de erfgenamen van de familie Breda of beschermt hij ook de geldstroom naar Sofie?

Meer in het algemeen zouden de volgende vragen gesteld kunnen worden:

In het nieuwe deel van het ONB is voor de beantwoording van deze vragen heel wat materiaal te vinden, maar het zal onvermijdelijk zijn ook andere documenten (met name rond de Sint-Bernardsabdij en de Berthouts) in het onderzoek te betrekken.

Conclusie

Het charter van 1252, waarop de stadsfeesten van 2002 gebaseerd zijn, werd naar alle waarschijnlijkheid verworven ter verlichting van de financiële en erfenisproblemen van de heer van Breda, die veroorzaakt waren door het testament van de vorige heer van Breda, Godfried IV en die betrekking hadden op het eigen bezit van de heer van Breda in Schoten, Merksem en Ekeren.

De geldstromen die door de abdij van Sint-Bernaards werden aangezogen en die via de heren van Breda naar Sofia Berthout en verder liepen, kunnen nu eveneens met het ONB beter in kaart gebracht worden. Zo kan vastgesteld worden wat het belang van deze begijnhofbewoonster voor de ontwikkeling van westelijk Noord-Brabant geweest is.

De kwestie Sofia kan bovendien in een breder kader geplaatst worden. Hoe ontwikkelde zich de economie van het huis Breda-Schoten? In 1300 wordt er opnieuw een groot weduwengeld gecreëerd en de overdracht van het Land van Breda aan de hertog in 1327 roept ook tal van vragen op. We kunnen de problematiek herformuleren: hoe een oud, heerlijk en adellijk geslacht in de problemen kwam. Dit is een interessant thema. In de literatuur lezen we dat dit vaak kwam doordat het inkomen van de adel uit vaste renten bestond en dat de reële waarde hiervan vanaf 1250 door de muntverslechtering steeds verder achteruit ging. In het Bredase werd die ontwikkeling in principe echter tegen gegaan door de massale uitgifte van nieuwe gronden. Al die geldzuchtige weduwen traden dan weer als stoorzender, of juist als aanjager op. Was er evenwicht mogelijk?

Het feit dat bijna alle voor dit probleem relevante oorkonden in het ONB-II staan, terwijl ze soms specifiek over de drie "Bredase" dorpen bij Antwerpen handelen, pleit voor het ONB-II als hulpmiddel bij toekomstig onderzoek naar de geschiedenis van westelijk Noord-Brabant, een onderzoek dat dus gemakkelijk in een algemener kader geplaatst kan worden.


Literatuur waar naar verwezen wordt

Boeren, P.C.. De heren van Breda en Schoten. Ca. 1100 - 1281. Leiden, 1965.

Bonenfant, P. La fondation de "villes neuves" en Brabant au moyen âge. Vierteljahrschrift für Sozial- und Wirtschaftsgeschichte 49 (1962) 145 - 170.

Cerutti, F.F.X.. 'De vorming der stad'. In: Cerutti, F.F.X. e.a. red.. Geschiedenis van Breda I, 26 - 55. Tilburg, 1952; Schiedam, 1976 (2e dr).

Dillo, M., G.A.M. van Synghel, m.m.v. E.T. van der Vlist. Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. II, de heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom. Den Haag, 2000. (2 delen)

Goetschalckx, P.J.. Geschiedenis van Schooten, Merxem en Sint Job in 't Goor. Ekeren-Donk, 1919, 1920, 1924 (3 dln.).(Heruitgave 1978, 3 dln)

Ham, W.A. van. 'Tussen Nijvel en Breda. De oudste geschiedenis van Bergen op Zoom nader beschouwd'. Jaarboek De Oranjeboom 37 (1984) 97 -110.

Leenders, K.A.H.W.. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Brussel/Wageningen, 1989.

Leenders, K.A.H.W.. Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas - Schelde - Demergebied, 400 - 1350. Een poging tot synthese. Zutphen, 1996.

Uytven, R. van. 'Aspecten van de middeleeuwse stadsgeschiedenis in het noorden van het hertogdom Brabant; het recht van Leuven en 's-Hertogenbosch'. In: Plaatsbepaling van het historisch onderzoek betreffende Noord-Brabant binnen de geschiedenis der Nederlanden. Tilburg, 1982, blz. 11-17 en bijl. III, blz. 60 - 63.


Noten

1: 13000424 = ONB 1412.1.

2: http://users.bart.nl/~leenders/txt/dissonb.html

3: http://www.kb.nl/infolev/ing/rgp/werkbest/bwn/index.htm

4: Andere oorkonden met kuipen geassocieerd met zel zijn: ONB 1111, 1419, 1492, 1519, 1520.4.

5: 121202251&2 = ONB 937 en 938.5.

6: Aangenomen dat de oppida libera bij de getuigen als dorp geteld zijn.6.

7: Leenders, 1996, 358.7.

8: 124905171 = ONB 1007.8.

9: 125106281 = ONB 1012.9.

10: 125107051 = ONB 1013; Goetschalckx, 1919 - 1924, III, 115.10.

11: 124806261 = ONB 1005.11.

12: 125106221 = ONB 1010; 125106222 = ONB 1011; 125199993 = vorige?12.

13: 125107071 = ONB 1015.13.

14: 125107191 = ONB 1016; 125108251 = ONB 1017.14.

15: 125206231 = ONB 1021.15.

16: Cerutti, 1952, 42 - 47; Leenders, 1996, § 3.3.5.16.

17: Bonenfant, 1962, 164; Van Uytven, 1982; Van Ham, 1984; Leenders, 1996, 253.17.

18: Nog in leven 23 oktober 1268: ONB 1086; mogelijk overleden voor 13 februari 1269: ONB 1089; zeker overleden voor 1 mei 1269: ONB 1090; Boeren, 1965.18.

19: 22 juni 1269: ONB 1091. G. Croenen noemt een aandeel van 1/3 tot 1/2 in de middendertiende eeuw normaal voor een weduwengeld. Bericht van 13 september 2000.19.

20: ONB 1414, 1415.20.

21: ONB 1107.21.

22: ONB 1133.22.

23: ONB 1409.23.

24: ONB 1207.24.

25: Zie bijvoorbeeld ONB 1219.25.


Versie 2 augustus 2023

© Copyright : dr K.A.H.W. Leenders